Afzinktunnel
De lichte afzinktechniek
De lichte afzinktechniek is een manier van bouwen welke eigenlijk identiek is aan de ons beter bekende conventionele zware afzinktechniek.
Het verschil is zoals eigenlijk de aanduiding al aangeeft alleen de twee begrippen licht of zwaar.
De traditionele afzinktechniek is gebruikt bij bijvoorbeeld de Beneluxtunnel en ook de Piet Hein Tunnel. Ook de tweede Coentunnel, waarvoor onlangs door Eurlings het startsein is gegeven, wordt met deze techniek gemaakt.
De techniek wordt mn. gebruikt voor het kruisen van rivieren.
Ook is deze zware techniek toegepast voor de bouw van de metro tpv. Coolsingel en het Weena in Rotterdam, boeiend is bij deze bouw dat men de geprefabriceerde elementen niet via de rivieren of zee aan kon voeren.
Wat had men toen verzonnen? De singel is er tijdelijk terug gelegd. Bij de plaats van de oude Bijenkorf bouwde men 1 dock en bij het Weena de 2e.
Bij de lichte afzinktechniek hoeven de af te zinken tunnel elementen minder zwaar te zijn. De elementen hoeven minder diep te worden afgezonken, waardoor de vloeren en wanden veel minder dik en zwaar kunnen zijn. Met groutankers
worden de lichte tunnel elementen op hun plek gehouden.
De techniek van de lichte afzinktunnel is ontwikkeld door Nhut Nguyen als voorstel bij HSL voor een mogelijke tunnel in ‘t Groene Hart.
Samen met diverse specialisten hebben wij de techniek verder toegespitst op locatie Midden-Delfland met A4, in samenhang met de IODS uitgangspunten.
Maar ook rekening houdend met de wensen voor ontwerp en de diverse aansluitingen op de waterwegen en het wegennet.
De lichte afzinktechniek maakt een zeer goed beheersbaar en fabrieksmatig bouwproces mogelijk. De bouwtijd kan relatief heel kort zijn.
De techniek is ook logistiek zeer goed te managen en zal een voorbeeld kunnen worden in hoe projecten ook probleemloos in bouw en uitvoering tot een prachtig bruikbaar product kunnen resulteren.
Het Rotterdamse metro voorbeeld lijkt verpletterend veel op het toepassen van een dergelijke techniek voor de ‘A4 met Vaart’.
Er wordt eerst een vaart gemaakt.
Het beschikbare A4MD-tracé is ruim 120 meter breed over hele lengte vanaf Schiedam - Vlaardingen tot aan Delft.
In de 120 meter brede strook wordt in het ‘natte’ de toevoer watergang gemaakt met taluds 1:3 . De uitgebaggerde grond kan men tijdelijk aan de zijkant van tracé opslaan. Het is een hierbij te onderzoeken extra mogelijkheid de
opgehoogde zijkant als tijdelijke dijk te laten dienst doen. Het waterniveau kan dan in de toevoer vaart hoger liggen en dat bespaard baggerdiepte.
De breedte & diepte van de tijdelijke vaart wordt bepaald door de breedte en hoogte van lichte afzinktunnel-elementen en het gewicht. De breedte van de tunnel en hoogte komt voort uit aantal rijbanen, redresseerstroken,
vluchtweg en konstruktie-dikte van wanden. De hoogte komt voort uit de voorgeschreven wettelijke hoogte in tunnels en de dikte van de vloer en het dak.
Er is sprake van 3 rijstroken vanuit Delft en 4 rijstroken richting Delft (zelfde opzet als huidige tunnel van 2km. in IODS-variant).
Dit komt neer op een tunnelbreedte per element van circa 35m. De benodigde vaargeul stelt men hierbij op ongeveer 65m.
Aan het begin van de vaart wordt een bouwplaats gemaakt, waar de tunnel elementen worden gestort in grote stalen mallen oftewel de kisten, het zogenaamde dock.
Er worden twee mallen gebruikt, zodat er continu kan worden geproduceerd en elementen naar hun plek kunnen worden gevaren.
De tijdelijke aanvoer-vaart wordt ter plaatse van de af te zinken tunnel delen tpv. stalen ‘korcet’ verdiept zodat deze op de goede diepte kunnen worden afgezonken. Een verplaatsbare tijdelijke damwand aan weerskanten vormen dit
stalen ‘korcet’ . Dit korcet begeleidt de af te zinken tunneldelen op de plek. Na het afzinken wordt de grond weer aangevuld en de vaart afgemaakt.
Bovenop het tunneldak zijn er opstaande kanten opgenomen om onzichtbaar de dijk langs de vaart op boezemnivo sterk genoeg te maken. Met veel ruimte hier voor de aanleg van natuurlijke oevers. Tezamen met extra opslag in natuurlijk
aangelegde natte zone’s langs de vaart in de polder kan dan zowel in droge als natte periode voor extra watercapaciteit in dit gebied worden voorzien. Niet alleen als extra waterberging maar ook als een zoet water voorziening voor
in extreem droge tijden.
